“Basishygiene blijft van essentieel belang”

08-04-2015

“Basishygiëne blijft van essentieel belang”

Prof. dr. Roel Coutinho is deskundige op het gebied van de epidemiologie en de bestrijding van infectieziekten. Hij gaf leiding aan diverse onderzoeksprojecten in binnen- en buitenland en was als directeur van het Centrum Infectiebestrijding (onderdeel van het RIVM) nauw betrokken bij het inperken van outbreaks zoals de Q-koorts en de Salmonella Thompson. Hij is nu hoogleraar aan de Universiteit Utrecht.

Na zijn opleiding geneeskunde vertrok hij als tropenarts naar West-Afrika. Dat bleek toch niet helemaal zijn roeping te zijn.

“Terug uit Afrika, vroeg ik me af: wat wil ik eigenlijk? Ik ging aan het werk als virologisch onderzoeker in het Laboratorium voor gezondheidsleer, een onderdeel van de Medische faculteit van de Universiteit van Amsterdam, maar dat vond ik niet uitdagend genoeg.
Via het hoofd van het Laboratorium voor de Gezondheidsleer, de viroloog Prof Dekking, ben ik voor de staart van de wereldwijde pokkenbestrijding afgereisd naar Bangla Desh. Daar is mijn interesse voor infectiepreventie ontstaan: het was indrukwekkend om te zien dat ook in een arm land met slechte hygiënische omstandigheden toch resultaten konden worden geboekt op het gebied van infectiebestrijding.

Weer terug in Nederland had ik de keuze: of hoofd worden van een laboratorium of leiding gaan geven aan de infectiebestrijding bij de GGD in Amsterdam. Dat laatste wilde eigenlijk niemand. In de 2e helft van de jaren 70 was infectiepreventie een “dood” vak.
Dat veranderde snel toen begin jaren 80 aids opkwam. Aids heeft infectieziekten weer helemaal op de kaart gezet. Omdat er geen sprake was van sterke landelijk georganiseerde infectiebestrijding, liet men de bestrijding van aids de eerste jaren vrijwel helemaal aan een klein groepje in Amsterdam over. Als hoofd van de infectieziektebestrjjding van de GGD Amsterdam zat ik op de plaats waar het allemaal gebeurde. Dat is bepalend geweest voor het verdere verloop van mijn carrière.

Omdat er weinig bekend was over Aids, werd er veel onderzoek gedaan. Wetenschappers en onderzoekers vanuit verschillende disciplines uit de hele wereld kwamen bij elkaar om kennis op te doen en uit te wisselen. In die wereld deed ook ik mijn werk. Mediaoptredens, publicaties en presentaties hoorden daar bij. Aids heeft heel veel teweeg gebracht.

In 2000 ben ik directeur geworden van de GGD Amsterdam. En in 2005 werd het Nationale Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) opgericht als onderdeel van het RIVM en ik werd de eerste directeur. Dat heb ik acht jaar gedaan met veel plezier. Van 1989 tot 2011 was ik parttime hoogleraar infectieziektebestrijding bij het AMC in Amsterdam en vanaf 2011 heb ik diezelfde functie bij de Universiteit Utrecht, nu voor twee dagen per week. Ik ben gevraagd om de brug te leggen tussen de veterinaire en de humane faculteit. Van de schijnwerpers ben ik terug bij de inhoud. Ik geef weer colleges en begeleid promovendi. We hebben inmiddels ook een aantal nieuwe onderwijsinitiatieven gerealiseerd.”

Het aantal infectieziekten neemt toe. Toch blijken tijdige signalering en bestrijding een probleem te zijn. Hoe zie je de toekomst op dit gebied?
“Daar is veel discussie over. Het probleem is dat we tot nu toe bij alle infectieziekten, die de revue zijn gepasseerd, niet hebben kunnen voorspellen dat ze zouden uitbreken en hoe ze zich zouden ontwikkelen. De cruciale vraag is dan ook: kunnen we dat beter doen en hoe dan?

Neem Ebola als voorbeeld. Als je 5 jaar geleden had geopperd dat dat wel eens een epidemie zou kunnen worden, had niemand je geloofd. Afrika was bekend met Ebola, de ziekte was niet nieuw, maar uitbraken vonden plaats in ver afgelegen gebieden met een geringe bevolkingsdichtheid. Toen het de kop opstak in West-Afrika werd het een ander verhaal. Door de grote bevolkingsdichtheid, het vele reizen in dit gebied, de abominabele hygiënische omstandigheden in de ziekenhuizen en het volkomen gebrek aan vertrouwen in de (corrupte) overheid, kon Ebola zich verspreiden.. Het is laat herkend en ook laat erkend. Er ontstond angst voor een uitbraak in heel West-Afrika. Een risico voor wereldwijde epidemie was er niet omdat Ebola weinig besmettelijk is en door goede isolatie van patiënten en zorgvuldige contactopsporing goed is in te dammen.
Andersom werkt het soms ook zo: veel mensen waren zeer beducht voor een wereldwijde MERS (=Middle East Respiratory Syndrome) epidemie omdat het MERS virus sterk verwant is aan het SARS virus dat zich in 2003 snel over de wereld verspreidde. Maar dat is dan weer niet gebeurd omdat het MERS virus vrijwel niet van mens op mens kan worden overgedragen.

Infectieziekten blijven lastig te voorspellen. Je kunt je er dan ook moeilijk op voorbereiden. Allerlei sociaal-economische en maatschappelijke factoren spelen een rol bij wel of geen uitbraak. Ook bevolkingsdichtheid, veranderingen in de landbouw en de veterinaire sector zijn van invloed.

Infectiepreventie is geen zaak meer van een individueel ziekenhuis. Naarmate ziekenhuizen zich verder specialiseren, vindt er vaker uitwisseling van patiënten plaats. Isolatie kan ook een probleem zijn, zeker in verpleeghuizen waar veel mensen in- en uitlopen.”

Is een internationale toename van infectieziekten een probleem voor Nederland?
“Ook wij krijgen er mee te maken, niet met Ebola maar wel bijvoorbeeld met de toenemende antibioticaresistentie. Nederland staat bekend als het land waar in de humane sector relatief weinig antibiotica gebruikt worden maar we zijn een klein land in een globale wereld en door het vele reizen staan wij met die hele wereld in contact. Ook bij ons kan het gebruik van antibiotica in de humane sector nog verder naar beneden. Ook in de intensieve veehouderij worden nog veel te veel antibiotica gebruikt al is dat gebruik in de afgelopen paar jaar door politieke en maatschappelijke druk spectaculair gedaald.

Basale hygiëne blijft bij infectiepreventie enorm belangrijk. Heel consequent je handen wassen: voor het eten, na het toiletbezoek, dat soort dingen. Natuurlijk lost dat niet alles op, maar het is wel essentieel.”