aan het woord….

 

“Influenza heeft een behoorlijke impact”

 “Influenza heeft een behoorlijke impact”

Interview met dhr. Wim van der Hoek (RIVM) over het wel of niet vaccineren van zorgmedewerkers.

De griepgolf van 2015/2016 is heftig. Niet alleen ouderen en kwetsbare mensen krijgen er mee te maken, ook veel jonge mensen worden door deze griep geveld.
Met de griepgolf laait ook de maatschappelijke discussie (weer) op over wel/geen griepvaccinatie voor gezondheidswerkers. In deze beroepsgroep leeft nogal wat weerstand tegen de vaccinatie.
Die discussie voeren we ook vaak in kleiner verband in de cursus HKM/CIP/AVI.

We hebben de vraag: “Wel of geen griepvaccinatie voor gezondheidswerkers?” neergelegd bij Wim van der Hoek. Hij is Hoofd van de afdeling respiratoire infecties (RES) van het RIVM.

“ Vaccinatie is sowieso belangrijk. Influenza heeft een behoorlijke impact. Influenza is nog steeds een belangrijke oorzaak van ernstige ziekte en sterfte. Daar wordt soms wel licht over gedacht. Ieder jaar laait er bij professionals en het brede publiek opnieuw discussie op over wel/niet vaccineren. De positie van het RIVM als overheidsinstantie is lastig in dezen. Voor huisartsen wordt het vaccin immers betaald door de overheid terwijl vaccinatie van zorgmedewerkers een zaak is van de werkgever. “

Effectief vaccin
Om een goede match te krijgen tussen vaccin en de circulerende virussen wordt er ieder jaar een nieuw vaccin ontwikkeld.
Het RIVM doet onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar de effectiviteit van het vaccin en monitort de griep.
In het onderzoek wordt antwoord gezocht op vragen als: “Welk deel van de bevolking wordt ziek met griepachtige klachten?” “Wordt die ziekte veroorzaakt door het influenzavirus?” “Hoe effectief is het vaccin?”

Een paar cijfers en feiten.
Wim van der Hoek:
“In 2014-2015 hadden we te maken met het A(H3N2) virus. De genetische samenstelling van dit virus week af van virussen in de seizoenen daarvoor. Dat jaar was de effectiviteit, mogelijk vanwege die genetisch samenstelling, laag.

In dat jaar hadden we te maken met een lang griepseizoen (21 weken griepepidemie). Er zijn 1,9 miljoen mensen met griepachtige klachten ziek geworden in Nederland, 370.000 mensen hebben de huisarts bezocht en er waren 10.000 ziekenhuisopnames wegens complicaties van griep. Het ging daarbij vooral om longontsteking. Er is in dat jaar een oversterfte van 8.600 gevallen geconstateerd. Dat is meer dan normaal. Het is een cijfer dat is vastgesteld op basis van de totale sterfte, niet per doodsoorzaak. De aanname is dat er wel een relatie is met influenza.

2015-2016
Ook dit jaar brengt de griepgolf complicaties en veel ziekenhuisopnames met zich mee. We hebben niet de beschikking over harde cijfers, maar binnen de ziekenhuiswereld wordt de aanname bevestigd.
Deze griepgolf heeft nog een opmerkelijk kenmerk: er worden veel mensen in een jongere leeftijdsgroep door getroffen, mensen tussen 40-60 jaar die eigenlijk verder gezond waren.
Een verklaring hiervoor kan liggen in het feit dat we nu te maken hebben met het A(H1N1)pdm09 virus. Daar zit voor een deel het “oude” Mexicaanse griepvirus in. Oudere mensen zijn daar wellicht immuun voor omdat ze in het verleden al aan andere H1N1 virussen zijn blootgesteld of daar een aantal jaren geleden al een vaccinatie voor hebben gehad.

Monitoring
In Europa wordt het verloop van de griep door middel van een goed functionerend surveillance netwerk goed gemonitord. Al tijdens het lopende seizoen worden schattingen gedaan over naar de effectiviteit van het vaccin, zodat er gaande het seizoen nog maatregelen getroffen kunnen worden.
In 2014/2015 werd al een maand nadat de griepgolf uitbrak, bekend dat het om een ander virus ging dan verwacht. Daardoor bestond de mogelijkheid dat het vaccin minder effectief zou zijn. Er werd geadviseerd om patiënten met influenza met antivirale middelen te behandelen. Dat hebben we in Nederland niet gedaan, omdat we in ons land restrictiever zijn in het toedienen van antivirale middelen. Maar het advies is wel heel snel gekomen.
Hoewel het gaat om voorlopige cijfers kunnen we zeggen dat de effectiviteit van het vaccin dit jaar redelijk is (46%).

Belang voor gezondheidswerkers
Nederland heeft een hoge vaccinatiegraad bij ouderen en kwetsbare mensen (75%). Onder gezondheidswerkers is de vaccinatiegraad van 13% dramatisch slecht. De cijfers voor 45 ziekenhuizen variëren van 2% tot 33 % per ziekenhuis.
Er ligt een internationaal advies, ook van de WHO, om gezondheidszorgmedewerkers te vaccineren. Is het niet ter bescherming van henzelf, dan toch zeker ter bescherming van de kwetsbare mensen die zij verplegen en verzorgen.
Als je dit cijfer vergelijkt met cijfers in de rest van Europa, doet Engeland het vooral beter. Ook een aantal Oost-Europese landen doet het goed. Maar andere ons omringende landen doen het niet veel beter dan Nederland.
In Amerika is de vaccinatiegraad hoger. De rechter heeft daar de uitspraak gedaan dat ziekenhuizen recht hebben om medewerkers te vragen zich te vaccineren. In een aantal ziekenhuizen in Amerika is de vaccinatiegraad dan ook 100%, daar kan men zich niet aan vaccinatie onttrekken.”

Lage vaccinatiegraad
Waarom de vaccinatiegraad onder professionals zo laag is? Het antwoord op deze vraag is lastig te geven. In de afgelopen jaren zijn er drie proefschriften verschenen over de vraag waarom gezondheidsmedewerkers zich niet laten vaccineren. In die onderzoeken worden vragen gesteld over het belang van vaccinatie en de reden voor niet vaccineren. Er zijn ook interventies geweest, actieve campagnes met goede informatieverstrekking.
Die hadden wel enig effect, maar dat beklijfde niet.
De redenen waarom professionals zich niet laten vaccineren zijn complex en divers.
We horen wel dat gezondheidszorgmedewerkers vaak dezelfde reden voor niet vaccineren aandragen als mensen die niet uit de gezondheidszorg komen: ik heb nooit griep, het vaccin heeft bijwerkingen, ik word juist ziek van het vaccin etc.
Bijwerkingen van het vaccin zijn er wel, maar lokaal (pijn op de vaccinatieplek, roodheid). Overige bijwerkingen worden in het algemeen als zeer zeldzaam ingeschat.

Relatie tussen influenza en oversterfte?
“Er is weinig onderzoek gedaan naar relatie tussen complicaties bij influenza en oversterfte. De ziekenhuizen verstrekken pas na afloop van het kalenderjaar gegevens. Er lopen op dit moment twee projecten met ziekenhuizen (LUMC en Jeroen Bosch) waarin we kijken welk deel van patiënten met ernstige luchtweginfecties influenza hebben en of er een relatie bestaat. Wat gebeurt er dan met die patiënten? Worden ze getest?
Er zijn geluiden om alle patiënten die worden opgenomen met ernstige luchtweginfecties te testen op influenza. Longartsen hebben hier bedenkingen tegen. Als namelijk blijkt dat er een relatie bestaat, moet je patiënten isoleren. Dan loop je tegen een capaciteitsprobleem op. Samen met ziekenhuizen kijken we naar het beste beleid.”

 Er wordt ook niet specifiek gekeken naar de gevolgen van griep opgelopen in het ziekenhuis. Ziekenhuizen moeten dat zelf onderzoeken. Uit internationale studies blijkt dat dat wel een probleem is.
Als er een besmette patiënt op een algemene verpleegafdeling komt, is het risico van besmetting natuurlijk groter.
Als je patiënten meteen test bij binnenkomst, kun je je afvragen of opname wel noodzakelijk is. Als het gaat om influenza met een virale pneumonie, is de patiënt misschien beter af thuis dan in het ziekenhuis. Dat geldt niet alleen voor de patiënt, dat geldt ook voor het ziekenhuis.”

Het belang van vaccinatie, ook voor zorgmedewerkers, is duidelijk. Maar de redenen om niet te vaccineren, zijn divers. De discussie duurt voort…

 

“Basishygiene blijft van essentieel belang”

“Basishygiëne blijft van essentieel belang”

Prof. dr. Roel Coutinho is deskundige op het gebied van de epidemiologie en de bestrijding van infectieziekten. Hij gaf leiding aan diverse onderzoeksprojecten in binnen- en buitenland en was als directeur van het Centrum Infectiebestrijding (onderdeel van het RIVM) nauw betrokken bij het inperken van outbreaks zoals de Q-koorts en de Salmonella Thompson. Hij is nu hoogleraar aan de Universiteit Utrecht.

Na zijn opleiding geneeskunde vertrok hij als tropenarts naar West-Afrika. Dat bleek toch niet helemaal zijn roeping te zijn.

“Terug uit Afrika, vroeg ik me af: wat wil ik eigenlijk? Ik ging aan het werk als virologisch onderzoeker in het Laboratorium voor gezondheidsleer, een onderdeel van de Medische faculteit van de Universiteit van Amsterdam, maar dat vond ik niet uitdagend genoeg.
Via het hoofd van het Laboratorium voor de Gezondheidsleer, de viroloog Prof Dekking, ben ik voor de staart van de wereldwijde pokkenbestrijding afgereisd naar Bangla Desh. Daar is mijn interesse voor infectiepreventie ontstaan: het was indrukwekkend om te zien dat ook in een arm land met slechte hygiënische omstandigheden toch resultaten konden worden geboekt op het gebied van infectiebestrijding.

Weer terug in Nederland had ik de keuze: of hoofd worden van een laboratorium of leiding gaan geven aan de infectiebestrijding bij de GGD in Amsterdam. Dat laatste wilde eigenlijk niemand. In de 2e helft van de jaren 70 was infectiepreventie een “dood” vak.
Dat veranderde snel toen begin jaren 80 aids opkwam. Aids heeft infectieziekten weer helemaal op de kaart gezet. Omdat er geen sprake was van sterke landelijk georganiseerde infectiebestrijding, liet men de bestrijding van aids de eerste jaren vrijwel helemaal aan een klein groepje in Amsterdam over. Als hoofd van de infectieziektebestrjjding van de GGD Amsterdam zat ik op de plaats waar het allemaal gebeurde. Dat is bepalend geweest voor het verdere verloop van mijn carrière.

Omdat er weinig bekend was over Aids, werd er veel onderzoek gedaan. Wetenschappers en onderzoekers vanuit verschillende disciplines uit de hele wereld kwamen bij elkaar om kennis op te doen en uit te wisselen. In die wereld deed ook ik mijn werk. Mediaoptredens, publicaties en presentaties hoorden daar bij. Aids heeft heel veel teweeg gebracht.

In 2000 ben ik directeur geworden van de GGD Amsterdam. En in 2005 werd het Nationale Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) opgericht als onderdeel van het RIVM en ik werd de eerste directeur. Dat heb ik acht jaar gedaan met veel plezier. Van 1989 tot 2011 was ik parttime hoogleraar infectieziektebestrijding bij het AMC in Amsterdam en vanaf 2011 heb ik diezelfde functie bij de Universiteit Utrecht, nu voor twee dagen per week. Ik ben gevraagd om de brug te leggen tussen de veterinaire en de humane faculteit. Van de schijnwerpers ben ik terug bij de inhoud. Ik geef weer colleges en begeleid promovendi. We hebben inmiddels ook een aantal nieuwe onderwijsinitiatieven gerealiseerd.”

Het aantal infectieziekten neemt toe. Toch blijken tijdige signalering en bestrijding een probleem te zijn. Hoe zie je de toekomst op dit gebied?
“Daar is veel discussie over. Het probleem is dat we tot nu toe bij alle infectieziekten, die de revue zijn gepasseerd, niet hebben kunnen voorspellen dat ze zouden uitbreken en hoe ze zich zouden ontwikkelen. De cruciale vraag is dan ook: kunnen we dat beter doen en hoe dan?

Neem Ebola als voorbeeld. Als je 5 jaar geleden had geopperd dat dat wel eens een epidemie zou kunnen worden, had niemand je geloofd. Afrika was bekend met Ebola, de ziekte was niet nieuw, maar uitbraken vonden plaats in ver afgelegen gebieden met een geringe bevolkingsdichtheid. Toen het de kop opstak in West-Afrika werd het een ander verhaal. Door de grote bevolkingsdichtheid, het vele reizen in dit gebied, de abominabele hygiënische omstandigheden in de ziekenhuizen en het volkomen gebrek aan vertrouwen in de (corrupte) overheid, kon Ebola zich verspreiden.. Het is laat herkend en ook laat erkend. Er ontstond angst voor een uitbraak in heel West-Afrika. Een risico voor wereldwijde epidemie was er niet omdat Ebola weinig besmettelijk is en door goede isolatie van patiënten en zorgvuldige contactopsporing goed is in te dammen.
Andersom werkt het soms ook zo: veel mensen waren zeer beducht voor een wereldwijde MERS (=Middle East Respiratory Syndrome) epidemie omdat het MERS virus sterk verwant is aan het SARS virus dat zich in 2003 snel over de wereld verspreidde. Maar dat is dan weer niet gebeurd omdat het MERS virus vrijwel niet van mens op mens kan worden overgedragen.

Infectieziekten blijven lastig te voorspellen. Je kunt je er dan ook moeilijk op voorbereiden. Allerlei sociaal-economische en maatschappelijke factoren spelen een rol bij wel of geen uitbraak. Ook bevolkingsdichtheid, veranderingen in de landbouw en de veterinaire sector zijn van invloed.

Infectiepreventie is geen zaak meer van een individueel ziekenhuis. Naarmate ziekenhuizen zich verder specialiseren, vindt er vaker uitwisseling van patiënten plaats. Isolatie kan ook een probleem zijn, zeker in verpleeghuizen waar veel mensen in- en uitlopen.”

Is een internationale toename van infectieziekten een probleem voor Nederland?
“Ook wij krijgen er mee te maken, niet met Ebola maar wel bijvoorbeeld met de toenemende antibioticaresistentie. Nederland staat bekend als het land waar in de humane sector relatief weinig antibiotica gebruikt worden maar we zijn een klein land in een globale wereld en door het vele reizen staan wij met die hele wereld in contact. Ook bij ons kan het gebruik van antibiotica in de humane sector nog verder naar beneden. Ook in de intensieve veehouderij worden nog veel te veel antibiotica gebruikt al is dat gebruik in de afgelopen paar jaar door politieke en maatschappelijke druk spectaculair gedaald.

Basale hygiëne blijft bij infectiepreventie enorm belangrijk. Heel consequent je handen wassen: voor het eten, na het toiletbezoek, dat soort dingen. Natuurlijk lost dat niet alles op, maar het is wel essentieel.”

 

 

Hygiene-infectiepreventie integreren in de standaardzorg

“Eigenlijk moet iedereen op de afdeling HKM’er zijn”

“Antibiotica resistentie krijgt de laatste jaren veel aandacht in de media. Laten we voorop stellen dat infectieziekten bij de gezonde bevolking in de toekomst geen belangrijke doodsoorzaak zullen zijn. We moeten de gevolgen voor de gezondheid niet overdrijven. Mensen die niet vatbaar zijn voor infectieziektes (zoals gezonde volwassenen) hoeven niet bang te zijn, zij hebben immers geen antibiotica nodig. Resistentie is vooral een probleem voor mensen die opgenomen worden in het ziekenhuis. Die hebben vaak behandeling nodig. In onze ziekenhuizen hebben we de situatie in het algemeen goed onder controle. Als daar verspreiding optreedt, wordt het meteen een groot probleem dat uitgebreid aandacht krijgt. We maken ons wel zorgen om de snelle toename van resistentie in landen om ons heen. Dat kan ook de veiligheid van onze zorg bedreigen.

In verpleeghuizen is de bestrijding een ander verhaal. We hebben daar te maken met een woonsituatie en met medewerkers die veelal niet als verpleegkundige zijn opgeleid  Daar zijn veel meer problemen op het gebied van basale hygiëne.”

We zijn in gesprek met Jan Kluytmans, professor microbiologie en Infectiepreventie aan de VUMC en dé deskundige in Nederland op het gebied van Hygiëne en Infectiepreventie.

“Dat we het in de ziekenhuizen op zich goed hebben geregeld betekent niet dat we geen aandacht meer moeten geven aan infectiepreventie. We zien dat de basale maatregelen onvoldoende worden nageleefd. Daar is echt nog winst te halen. Patiënten van nu zijn ouder, kwetsbaarder en zieker dan vroeger met alle gevolgen van dien. Daarvan zijn we ons te weinig bewust. We moeten voorkomen dat er infecties ontstaan, dan hoeven we ze niet te behandelen.

Dat vraagt van ons dat we met een andere blik naar Hygiëne en Infectiepreventie (HIP) kijken. Op dit moment zijn we HIP aan het verbijzonderen, we maken er een aparte discipline van. We hebben deskundigen Infectiepreventie en HKM’ers. Het grote nadeel daarvan is dat de overige medewerkers zich niet meer verantwoordelijk voelen. Dat vind ik niet goed. Infectiepreventie moet aan de basis van je handelen staan. Eigenlijk zouden de deskundigen HIP en de HKM’ers voor de basishygiëne overbodig moeten zijn. Zij zouden op een heel ander niveau moeten acteren.

In de toekomst moet HIP onderdeel worden van de standaard zorg. Onze professionals moeten HIP in de dagelijkse contacten met en verzorging van de patiënt c.q. verpleeghuisbewoners, vanzelfsprekend gaan vinden.

Dat betekent dat HIP veel meer aandacht moet krijgen in de (verpleegkunde)opleidingen. Om in de toekomst de problemen met resistente bacteriën de baas te blijven moeten we ook investeren in de bouw. Bij nieuwbouw moeten er standaard eenpersoonskamers komen met eigen sanitair. Teamleiders en medici moeten het belang van de basishygiëne onderschrijven door op de werkvloer een voorbeeldrol te vervullen en ervoor te zorgen dat regels ook daadwerkelijk worden toegepast.

Gelukkig is er in de afgelopen jaren al veel verbeterd, onder andere door de maatschappelijke ontwikkelingen en door het feit dat de patiënt veel mondiger is geworden. Maar er moet nog veel veranderen. De HKM’er heeft wat dat betreft zeker in verpleeghuizen een belangrijke rol te vervullen. In ziekenhuizen zouden de HKM’ers de initiators kunnen zijn van een veranderingsproces waarmee ze uiteindelijk zichzelf overbodig maken.”

 

 

Vicki Erasmus over naleving hygieneregels

“HKM-er kan een belangrijke rol vervullen” 

Op 25 april 2012 is Vicki Erasmus, wetenschappelijk onderzoeker aan het Erasmus MC, gepromoveerd op haar onderzoek naar het gedrag rondom handhygiëne. Het onderzoek is uitgevoerd in 24 ziekenhuizen, verspreid over het hele land.
Zoals bekend kan een deel van de ziekenhuisinfecties worden voorkomen door het naleven van de hygiëneregels. Niet zo maar naleven of een beetje naleven, maar een strikte naleving is noodzakelijk om de toename van ziekenhuisinfecties een halt toe te roepen.

Voor zover bekend laat het onderzoek van Vicki Erasmus als eerste zien dat het handhygiënegedrag van artsen en verpleegkundigen door verschillende factoren wordt beïnvloed.
De resultaten hebben uitgewezen dat er nog veel te verbeteren valt. Het blijkt dat slecht 20% van de medewerkers in de onderzochte ziekenhuizen, die direct met patiënten in contact komen, de hygiëne- en infectiepreventieregels naleeft. Er wordt geen onderscheid geconstateerd tussen artsen en verpleegkundigen. Hoewel tijdens de opleiding van jonge artsen steeds meer aandacht wordt besteed aan richtlijnen voor hygiëne- en infectiepreventie, heeft dat tot dusver niet tot een betere naleving geleid.

Vicki Erasmus:
“Het gebrek aan naleving heeft vooral te maken met gewoontegedrag, maar ook voorbeeldgedrag, de cultuur en sociale invloeden binnen het ziekenhuis spelen een rol. Daarnaast zijn werkdruk en de beschikbaarheid van de juiste materialen ook van invloed.
Artsen en vooral verpleegkundigen richten zich naar het beleid van de afdeling. Je moet sterk in je schoenen staan, wil je een andere koers varen.

De Raad van Bestuur kan ook een rol spelen. Als deze het belang van naleving ondersteunt en dat ook uitdraagt, dan helpt dat zeker.

Ook de HKM-er kan een functie vervullen, maar dat is mede afhankelijk van de cultuur van het huis, van de persoon van de HKM-er zelf en van de bereidheid van artsen en verpleegkundigen om mee en samen te werken. Het is belangrijk dat het ziekenhuis de rol van de HKM onderschrijft en een structuur schept waarbinnen deze kan werken.”

Vicki is inmiddels bezig met een vervolgonderzoek. Daarin zijn teaminterventie en intrinsieke motivatie rode draden.
Bij de teaminterventie maken teams van artsen, verpleegkundigen en HKM-ers de hygiëneregels expliciet en stellen de normen en richtlijnen voor hun organisatie vast. Als je daarover concrete afspraken maakt, kun je elkaar in een vertrouwde context aanspreken en, waar nodig, corrigeren. In die teams kan de HKM-er een coördinerende functie vervullen.

 

“We spreken elkaar aan op wat we hebben afgesproken”

Gerda Lelieveld, deskundige Hygiëne en Infectiepreventie Rijnland Ziekenhuis

“We spreken elkaar aan op wat we hebben afgesproken”

Sinds een aantal jaren besteedt Gerda Lelieveld hernieuwde aandacht aan hygiëne infectiepreventie. Daarmee heeft ze in het Rijnland Ziekenhuis veel succes geboekt. Maar dat deed ze niet alleen. Een voorbeeld: op de OK heeft ze een verbeterteam om zich heen verzameld dat bestaat uit een arts-microbioloog, een chirurg, een anesthesist, een operatieassistent, een anesthesiemedewerker, een physician assistent ortho, een datamanager en een deskundige infectiepreventie.

“Dat team is erg belangrijk. Daarmee laten we zien dat hygiëne infectiepreventie niet uitsluitend een zaak is van onze afdeling. Het gaat niet om “onze” infecties. Met de samenstelling van het team laten we zien dat het een zaak van ons allemaal is.
Daarnaast is het belangrijk dat we een hecht team van deskundigen Infectiepreventie hebben. De neuzen staan dezelfde kant op en we zijn het eens over de wijze waarop we zaken aan willen pakken. Dat stralen we uit naar de rest van het ziekenhuis.

Dat team is dus een sleutelfactor voor succes. Maar zijn er nog meer voorwaarden? “We moeten natuurlijk zelf het voorbeeld geven en we moeten zichtbaar zijn in het huis. Medewerkers moeten ons kunnen vinden, moeten ons zien. We zijn altijd op de werkvloer aanwezig.
Tenslotte is het een kwestie van vasthouden. Het lukt niet in één keer om een cultuur te veranderen waarin het “not done” is om elkaar te wijzen op de regels rondom hygiëne infectiepreventie. Dat is geen onwil, het is onderdeel van de cultuur. Het gaat toch altijd goed? Waarom zou ik dan bij patiëntencontact mijn sieraden afdoen?
Medewerkers spreken elkaar ook niet gemakkelijk aan op het overtreden van de regels. In het begin liepen we tegen de bekende weerstand aan, maar we hebben ons vastgebeten in onze doelen.”

Hoe ben je tot de resultaten gekomen?
“ We zijn begonnen met het verzamelen van data. Met de cijfers in de hand hebben we een businessplan gemaakt en met dat plan zijn we naar de Raad van bestuur gestapt. Door de concretisering van het probleem en de onderbouwing met de cijfers  hebben we een jaar gekregen om het businessplan te implementeren in de organisatie.

We hebben gezocht naar “de gaatjes”, de mogelijkheden en de kansen die het ziekenhuis ons bood om succes te boeken. Dat lukte onder andere door duidelijk te blijven maken dat hygiëne infectiepreventie geen stokpaardje is van ons, maar dat het terugbrengen van infecties van belang is voor het hele ziekenhuis.
Kijk bijvoorbeeld aan de extra kosten die de behandeling van de infecties met zich meebrengt.
Als voorbeeld gebruiken we vaak Nutricia. Als daar niet voor meer dan 100% steriel wordt gewerkt en het gaat mis, dan levert dan een kostenpost van miljoenen euro’s op. Daar is het bedrijf ongelofelijk alert op. Is het dan niet vreemd dat er in een ziekenhuis onvoldoende aandacht voor hygiëne en infectiepreventie is? Daar gaat het tenslotte om mensenlevens. Je geeft als patiënt je leven in handen van een dokter.

De objectieve data zijn en blijven belangrijk om ons huis alert te houden.
Daarnaast bespreken alle statussen maandelijks door met de chirurgen. Dat leverde in het begin ook weerstand op, maar het werkt als je objectieve cijfers aan kunt dragen.
Het draagvlak bij de leden van de Raad van bestuur is ook belangrijk. Zij lopen regelmatig kwaliteitsrondes samen met de kwaliteitsmedewerkers en zij attenderen medewerkers op overtredingen. Sterker nog, ze delen verpleegstershorloges uit als ze constateren dat medewerkers bij patiëntencontact horloges dragen.
Jonge artsen in opleiding worden doordrongen van het belang van een goede hygiëne infectiepreventie.

Al met al hebben we in de afgelopen maanden veel resultaten geboekt. Die dragen we uit.
Dat is natuurlijk mooi, maar we willen meer. Dit najaar staat handhygiëne op de agenda, ook bij de polikliniek en de functieafdelingen.
De aandachtsvelders infectiepreventie (dat is de naam van de HKM’ers in het Rijnland Ziekenhuis, red.) spelen een belangrijke rol. We willen graag op iedere afdeling een AVI’er hebben.  Er ligt nog veel werk en we kunnen nog heel veel winnen. Gelukkig hebben we de tijd (en de media-aandacht) mee.”

 

 

Kees Verduin, arts-microbioloog

“Waar ligt de focus in de gezondheidszorg?”

“Mensen worden ouder en kwetsbaarder. Het beroep op de gezondheidszorg neemt daarmee toe. Dat geldt ook voor het aantal infectieziekten: 10 tot 20% van de ziekenhuisopnames gaat gepaard met een infectie. Daarbij gaat het enerzijds om infecties die mensen meebrengen bij ziekenhuisopname maar anderzijds ook om infecties die mensen oplopen tijdens die ziekenhuisopname. Dat percentage zal in de toekomst met de toename van de multiresistente organismen alleen maar stijgen.“
Aan het woord is Kees Verduin. Hij is als arts-microbioloog verbonden aan het PAMM in Veldhoven.

“Als arts-microbioloog vind ik dat we in onze zorginstellingen te weinig aandacht besteden aan hygiëne en infectiepreventie. Basale zaken als handhygiëne worden al niet consequent toegepast. Leidinggevenden kijken minder naar zorg dan naar de buitenwereld en naar financiën. Er zijn te veel managers. Er is te weinig aandacht voor waar het om gaat, de patiëntenzorg.
Ziekenhuizen zijn een gevaarlijke plek voor kwetsbare, zwakke mensen. Combineer dat met het beperkte besef van hygiëne en infectiepreventie, verlegde aandachtsgebieden binnen de gezondheidszorg  en het scholingsniveau van verpleegkundigen en artsen en zie hoe we gekomen zijn waar we nu zijn.

Er is een blijvend tekort aan hygiënisten en een veelheid aan taken. Er zijn te veel ballen die we tegelijkertijd in de lucht moeten houden. De hygiëne- en kwaliteitmedewerkers zijn belangrijk in de ondersteuning van de hygiënisten maar ook zij moeten knokken voor hun plek en  voor permanente scholing. Een goede hkm’er heeft een signalerende en toetsende rol en kaart zaken aan op de eigen afdeling bij de eigen leidinggevende en neemt daar ook initiatieven in, al dan niet in samenwerking met hygiënisten.

De leidinggevenden moet de hkm’er tijd en steun geven. Nu verschilt dat per afdeling omdat iedere leidinggevende baas is op zijn of haar afdeling en hij of zij bepaalt waar de nadruk ligt.
Dat is niet goed. Volgens mij gaat het er om dat je gezamenlijk doelen afspreekt en zorgdraagt voor de naleving van gemaakte afspraken.

Al met al vind ik dat er sprake is van een grote onbalans in de Nederlandse gezondheidszorg. Zorg is duur en wordt steeds duurder. Daarom wordt een duidelijke focus steeds belangrijker. Waar kiezen we voor? Voor patiëntenzorg of voor imago? Voor marktwerking, wat dat ook mag zijn, of voor systemen? En wie is waar verantwoordelijk voor?
Dat zijn vragen die niet eenvoudig zijn te beantwoorden.”

Welke rol speelt hygiëne infectiepreventie in de zorg?
“Het is lastig om daar antwoord op te geven. Ik realiseer me natuurlijk ook wel dat hygiëne en infectiepreventie maar twee facetten zijn van de totale patiëntenzorg. Ik kan daar vanuit mijn vakgebied wel een groot belang aan hechten maar dat wordt niet door iedereen gedeeld. Er spelen nog zo veel andere zaken op het terrein van kwalitieit: medicijnverstrekking, patiëntenzorg, wondverzorging om er maar een paar te noemen.

Daar komt bij dat ons land nog steeds wereldberoemd is op het gebied van infectiepreventie. Dat komt omdat we nuchter zijn, niet te veel zorg claimen en accepteren dat het we af en toe pijn hebben en ziek zijn.
Aan de basis is onze hygiëne beter, maar we moeten wel oppassen. Als we niet alert blijven en als we niet de nodige aandacht besteden aan hygiëne en infectiepreventie, glijden we snel af naar een niveau dat we met zijn allen niet willen bereiken.”

 

Thea Daha, adviseur infectiepreventie

HKM’ers enorme steun voor Adviseurs Infectiepreventie

“Als een diesel doorgaan!”

“Ik vind dat hkm’ers de linking pin zijn tussen de adviseur infectiepreventie en de afdeling. Ze zijn een enorme steun voor de adviseurs infectiepreventie, zeker als je kijkt naar het aantal ziekenhuisbedden versus het aantal beschikbare adviseurs infectiepreventie.”

Aan het woord is Thea Daha, adviseur infectiepreventie, tevens secretaris van de WIP, de Werkgroep InfectiePreventie, die al sinds 1982 richtlijnen opstelt voor infectiepreventie voor de intramurale gezondheidszorg.

“Op zich hebben de hkm’ers geen gemakkelijke taak. Het gevoel voor infectiepreventie zit helaas niet in de vingertoppen van artsen en verpleegkundigen ondanks het feit dat we hier al 150 jaar aan werken.
Als je bedenkt dat maar 20% van de medewerkers in ziekenhuizen de handen wast na toiletbezoek, dan zegt dat genoeg, toch?
Blijkbaar zijn adviseurs infectiepreventie, microbiologen en infectiologen niet de aangewezen personen om ons bewust te maken van hygiëne infectiepreventie. We hebben inmiddels gedragswetenschappers nodig om ons gedrag op dit gebied in positieve zin te beïnvloeden.

De WIP maakt algemene richtlijnen, niet meer en niet minder. Het zijn geen pasklare adviezen, maar bouwstenen voor te ontwikkelen beleid. Op de werkvloer van de diverse instellingen wordt door de professionals een vertaalslag van de richtlijnen gemaakt die gebaseerd is op het beleid van het ziekenhuis.

Sommige richtlijnen gelden voor iedereen. Dat zijn de algemene voorzorgsmaatregelen  die voor alle patiënten gelden ongeacht de patiëntenstatus. Het gaat dan om handhygiëne, persoonlijke hygiëne, bloed- en prikaccidenten en isolatie. Dat is de basis. De overige richtlijnen zijn daarop gebaseerd.

Maar je ziet dat zelfs de algemene voorzorgsmaatregelen niet overal goed worden toegepast. We wassen onze handen wel als er gevaar is voor onszelf, maar blijkbaar niet als het gaat om gevaar voor de patiënt.
In de opleidingen zou veel meer aandacht gegeven moeten worden aan die basis. Die zouden studenten met de paplepel ingegoten moeten krijgen. Nog een reden om blij te zijn met de hkm’ers: zij worden wel goed opgeleid.
Overigens geldt ook hier: goed voorbeeld doet goed volgen. Als de leidinggevende  de regels voor infectiepreventie in acht neemt, doen medewerkers dat ook.

In de praktijk grijpen vooral verpleegkundigen, adviseurs infectiepreventie en microbiologen terug op de WIP-richtlijnen. Hkm’ers maken er minder gebruik van. Dat is ook logisch, zeker als de relatie tussen de adviseur infectiepreventie en de hkm’er goed is. Dan zorgt de hkm’er ervoor dat de protocollen en regels op de afdeling worden toegepast maar de adviseur is verantwoordelijk voor de richtlijnen, de hkm’er met name voor de implementatie en het volgen van de richtlijn.

De WIP-richtlijnen zijn vooral geschreven voor professionals op het gebied van hygiëne infectiepreventie. Die richtlijnen zijn natuurlijk ook toegankelijk voor hkm’ers, maar voor hen is er daarnaast nog een goede bron: het Landelijk Centrum Hygiëne en veiligheid (LCHV) van het RIVM heeft een praktijkdocument gemaakt met bruikbare en handige tips voor de vertaalslag van de WIP-richtlijnen. Op www.lchv.nl is dat document voor iedereen in te zien. Ik raad hkm’ers zeer aan om die site regelmatig te bezoeken.  Met de LCHV-, LCI (Landelijke Coördinatie Infectieziekten) en WIP-richtlijnen wordt de hele intra- en extramurale zorg gecovered.

Gelukkig zien we langzaam maar zeker een kentering in de aandacht voor infectiepreventie. Dat komt ook door de toename van multiresistente micro-organismen waarmee het risico op onbehandelbare infectieziekten toeneemt. Daarmee wordt de noodzaak voor een goede hygiëne en infectiepreventie steeds groter.
Mijn advies aan de hkm’er is: Als je maar blijft geloven in het belang van goede hygiëne en infectiepreventie, ga dan gewoon als een diesel door!”